Borstkanker en erfelijkheid

Ongeveer 5 tot 10% van alle gevallen van borstkanker wordt (mede) veroorzaakt door een erfelijke aanleg; een pathogene variant (mutatie) in een gen dat betrokken is bij DNA-herstel. Deze DNA-varianten leiden tot een verhoogd risico op het ontwikkelen van borstkanker, veelal op jongere leeftijd dan in de algemene populatie.

De meest bekende genen die geassocieerd zijn met erfelijke borst- en eierstokkanker zijn het BRCA1- en BRCA2-gen. Daarnaast zijn ook varianten in andere genen, zoals PALB2, CHEK2, ATM, RAD51C, RAD51D, BARD1 en BRIP1, geassocieerd met een verhoogd risico op borst- en/of eierstokkanker. De penetrantie en het exacte risicoprofiel verschillen per gen en soms ook per variant. Pathogene varianten in deze genen worden autosomaal dominant overgeërfd, wat inhoudt dat eerstegraads verwanten een kans van 50% hebben om dezelfde variant te hebben. De overgrote meerderheid van mensen met een pathogene variant heeft deze geërfd van één van beide ouders; de novo varianten treden slechts zelden op.

De genen die betrokken zijn bij erfelijke borst- en eierstokkanker worden verdeeld in genen die leiden tot een sterk verhoogd risico, en genen die over het algemeen een matig verhoogd risico geven. De hoog-risico genen zijn BRCA1, BRCA2 en PALB2. Voor vrouwen met een BRCA1-variant wordt het cumulatieve lifetime risico op borstkanker geschat op 60–80% en op eierstokkanker op 35–45%. Voor BRCA2 bedraagt dit respectievelijk 60-80% en 10–20%. Mannen met een BRCA2-variant hebben een verhoogd risico op borstkanker (ongeveer 7%) en prostaatkanker (2-3x verhoogd).

CHEK2, ATM, RAD51C, RAD51D en BARD1 worden beschouwd als matig-verhoogd risico genen. Voor vrouwen die een variant hebben in deze genen, hangt het risico op borst- en/of eierstokkanker ook duidelijk af van andere factoren. Een belangrijke factor is het voorkomen van borstkanker in de familie, bij wie en op welke leeftijd. Daarnaast spelen persoonlijke risicofactoren een rol, zoals BMI, leefstijl en borstdensiteit. Voor vrouwen met een dergelijke genmutatie wordt op de polikliniek Klinische genetica een persoonlijke risico-inschatting gemaakt op het ontwikkelen van borst- en of eierstokkanker. Adviezen voor borstscreening of preventieve maatregelen worden gebaseerd op deze risico-inschatting.

In het merendeel van de families met belasting voor borst- en/of eierstokkanker kan echter geen pathogene DNA-variant worden gevonden. Vaak wordt dan gesproken van familiaire borst- en/of eierstokkanker. Vrouwelijke familieleden kunnen wel een verhoogd risico hebben op borst- en/of eierstokkanker. Ook binnen deze families worden persoonlijke risico-inschattingen gedaan, waarop screeningsadviezen worden gebaseerd.

Vrouwen met een verhoogd risico op borst- en/of eierstokkanker komen in aanmerking voor screening en/of chirurgische ingrepen voor risicoreductie. Dit kan bestaan uit periodieke borstcontroles met MRI en mammografie, risico-reducerende mastectomie (RRM) en/of salpingo-oöforectomie (RRSO), en voor mannen prostaatkankerscreening.

Het vaststellen van een pathogene kiembaanvariant kan therapeutische consequenties hebben bij mensen met kanker. Eierstoktumoren met een BRCA1- of BRCA2-variant kunnen gevoelig zijn voor PARP-remmers, waardoor gerichte behandeling mogelijk wordt. Ook kan het hebben van een erfelijke aanleg meespelen bij de keuze voor het type operatie bij borstkanker (borstsparende operatie versus (bilaterale) mastectomie). Dit maakt dat spoed-DNA onderzoek in deze setting steeds vaker onderdeel is van de zorg.

Welke genen worden getest?

In Amsterdam UMC worden 12 genen onderzocht die betrokken kunnen zijn bij erfelijk mammacarcinoom en of/ ovariumcarcinoom: BRCA1, BRCA2, CHEK2, ATM, PALB2, RAD51C, RAD51D, BARD1, BRIP1, STK11, PTEN, en CDH1.

Op de VKGN website kunt u meer informatie vinden over de gevolgen van een pathogene mutatie per gen.

Aanvullende informatie voor verwijzers:

Kosten van DNA-onderzoek voor de patiënt

De kosten voor het DNA-onderzoek worden rechtstreeks door het laboratorium gedeclareerd bij de zorgverzekering van de patiënt. DNA-onderzoek valt onder de basisverzekering (uitgezonderd enkele budget/naturapolissen).

Verzekeringen en erfelijkheid

Voor patiënten die behandeld worden voor mammacarcinoom is de diagnose mammacarcinoom zelf gedurende enige jaren een beperkende factor voor het afsluiten van een (nieuwe) overlijdensrisicoverzekering of aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Vaak wordt gedacht dat het hebben van een erfelijke aanleg bij iemand zonder kanker gevolgen heeft voor het afsluiten van verzekeringen. Dit is maar heel soms het geval. Een gesprek met een klinisch geneticus over de voor- en nadelen van een DNA-test heeft geen gevolgen voor het afsluiten van een verzekering. 

Al afgesloten verzekeringen worden niet beïnvloed door eventueel erfelijkheidsonderzoek.

Meer informatie over verzekeringen en erfelijke ziektes

Patiënten en hun familieleden kunnen hiernaar verwezen worden. Indien vragen blijven bestaan, kan de patiënt verwezen worden naar de polikliniek Klinische genetica.

Veelgestelde vragen 

Antwoorden op veelgestelde vragen over DNA-first